Archief kleurt leven van Paul Ehrenfest verder in

De archiefdozen met de aanvulling op Ehrenfests nalatenschapMuseum Boerhaave in Leiden heeft een belangrijke aanvulling ontvangen op zijn archief van theoretisch fysicus Paul Ehrenfest (1880-1933). Vrijdag 31 mei organiseerde het museum een symposium over het belang ervan – en van dat van Ehrenfest zelf. Ter afsluiting overhandigde prof.dr. Diana K. Buchwald, directeur van het Einstein Papers Project aan het California Institute of Technology (Caltech) in Pasadena, de archiefdozen symbolisch aan Boerhaave-directeur Dirk van Delft.

Ehrenfests archief is van enorme waarde voor de wetenschapsgeschiedenis. De Oostenrijker Paul Ehrenfest, die vanaf 1912 tot zijn dood  de leerstoel voor theoretische fysica in Leiden bekleedde, was een van de aanjagers van de kwantumrevolutie in de natuurkunde. Hij correspondeerde met al zijn beroemde tijdgenoten, van zijn voorganger Hendrik Lorentz tot Max Planck en van Niels Bohr tot Albert Einstein. Daarmee vormt Ehrenfests archief een unieke ingang in de stormachtige ontwikkeling die de natuurkunde in de eerste helft van de twintigste eeuw doormaakte. Doorgaan met het lezen van “Archief kleurt leven van Paul Ehrenfest verder in”

Wat deed opa eigenlijk tijdens de oorlog?

© ZDF
Scene uit Unsere Mütter, Unsere Väter © ZDF

Duitsland discussieert weer over zijn nazi-verleden. En hoe. Aanleiding is deze keer de driedelige tv-serie ‘Unsere Mütter, unsere Väter’, die aan de hand van de levenswandel van vijf vrienden inzichtelijk probeert te maken hoe de oorlog en de jodenvernietiging realiteit konden worden. Vooral het persoonlijke perspectief lokt veel reacties uit. De titel suggereert er immers een bedoeling mee te hebben. Onze moeders, onze vaders: Hier wordt het verhaal van een generatie verteld, een generatie die jong de oorlog inging en er in het beste geval gehavend weer uitkwam.

Dit programmatische perspectief roept enerzijds bewondering op. Uitgever Frank Schirrmacher van de Frankfurter Allgemeine Zeitung riep voordat het eerste deel afgelopen zondag werd uitgezonden iedereen op met de hele familie voor de buis plaats te nemen: “grootouders, ouders, kinderen: ze moeten samen kijken.” Dit is de laatste kans, aldus Schirrmacher, om de verhalen aan te horen van degenen die de oorlog bewust hebben meegemaakt. Langzaam sterft die generatie uit en blijven wij met de vragen zitten: wat hebben ze gedaan – en waarom? Doorgaan met het lezen van “Wat deed opa eigenlijk tijdens de oorlog?”

De (de)constructie van HhhH

Duits grafembleem uit privémuseum Hooge Crater
Duits grafembleem uit privémuseum Hooge Crater

Operatie Anthropoid moest het boek eigenlijk heten. ‘[Ik heb] nooit aan een andere titel gedacht’, schrijft Laurent Binet in en over het boek waarmee hij in 2010 de belangrijkste Franse literatuurprijs won. Als er toch een andere titel op de kaft is verschenen, voegt hij toe, komt dat omdat de uitgever hem heeft overgehaald. Slimme uitgever. Hij had beter door wat de kern van Binets boek uitmaakt dan de auteur zelf.

Daarom titelt het boek nu HhhH, naar de van oorsprong Duitse uitdrukking ‘Himmlers hersens heten Heydrich’, die de verhoudingen moest aangeven tussen de baas van de SS en een van zijn belangrijkste ondergeschikten. Over Reinhard Heydrich gaat het boek. Of eigenlijk ook weer niet. Zo schrijft Binet:

Waar kun je uit afleiden dat een personage de hoofdpersoon is van een verhaal? Aan het aantal bladzijden dat aan hem is gewijd? Zo simpel ligt het hopelijk niet. Als ik praat over het boek dat ik aan het schrijven ben, zeg ik: ‘Mijn boek over Heydrich.’ Toch is het niet de bedoeling dat Heydrich de hoofdpersoon van dit verhaal is.

Een boek dat de gedachtegang van de auteur bij het schrijven ervan onderdeel van het verhaal maakt. Wat Binet doet is het geschiedverhaal deconstrueren. Je bent Fransman of je bent het niet. HhhH is geen verhaal over de moordaanslag van een groep Tsjechoslowaakse verzetsstrijders tegen de Reichsprotektor van Tsjechië, het is de neerslag van het wordingsproces van dat verhaal. Doordat Binet zijn keuzes verantwoordt, zijn twijfels hardop uitspreekt en doordat hij reflecteert op wat het inhoudt om een historisch verhaal te schrijven. Dit is geen roman, schrijft Binet, dit is de neergeschreven zoektocht – inclusief alle moeilijkheden die zich daarbij voordoen – naar de historische werkelijkheid:

Doorgaan met het lezen van “De (de)constructie van HhhH”

Plaatsen van herinnering rond Ieper

Grafzerk voor onbekende Britse soldaat op Tyne Cot Cemetery. Foto: Pim Huijnen © all rights reservedIk was vergeten hoe indrukwekkend een bezoek aan de Vlaamse Westhoek kan zijn als je geïnteresseerd bent in de Eerste Wereldoorlog. Een jaar of tien geleden was ik er al eens, in het kader van een college van Koen Koch. Toen deden we de Westhoek in minder dan een dag, op weg naar de Somme en Verdun. Nu hadden we een weekend de tijd. Wat me opviel aan de begraafplaatsen, monumenten en andere plaatsen van herinnering was de levendigheid ervan. Er moet ongelooflijk veel tijd en energie worden gestoken in het in ere houden van al die plekken en het faciliteren van het herdenkingstoerisme. De massaliteit daarvan verbaasde me ook. Het westelijk front in Vlaanderen lijkt nog altijd een bedevaartsoord voor Canadezen, Engelsen en Fransozen (om niet te vergeten Amerikanen, Australiërs, Nieuw-Zeelandsers, Indiërs, etc.), maar ook voor Duitsers.

Voor zover ik kan nagaan is het dan ook een unieke plaats van herinnering: waar vind je nog meer een plek dat de sporen draagt van vier jaar lang onafgebroken gevechten. Dat in die sporen bovendien een staalkaart biedt voor het verloop van de Eerste Wereldoorlog als geheel? De Eerste Slag bij Ieper maakte deel uit van de Duitse opmars in het najaar van 1914. De Tweede Slag stond in het teken van de eerste gasaanvallen, terwijl de Derde Slag de wanhoop symboliseert van de stellingenoorlog. Ondanks, of misschien ook dankzij, de onbevattelijke cijfers die met de Eerste Wereldoorlog in dit gebied gepaard gaan, de miljoenen doden en gewonden, de miljoenen granaten die het gebied in een waanzinnige modderpoel veranderden, zijn de plaatsen van herinnering niet in eerste plaats pattriotistisch – toch een gebruikelijk doel voor monumenten en andere symbolen die aan het verleden referen. Ik heb de indruk dat de deemoed overheerst.

Doorgaan met het lezen van “Plaatsen van herinnering rond Ieper”

Latere daders in Das weisse Band

Fragment uit Das weisse BandDuitsland, 1913. Een veelzeggend land in een veelzeggend jaar. Het is de vooravond van de oorlog waarin Europa, zoals dat heet, zijn onschuld verloor. Vanaf die Eerste is zeker voor het verslagen Duitsland een rechte lijn te trekken naar de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. De verliezers van 1914-1918 die twintig jaar later wraak namen op hun overwinnaars. Maar dat is niet het verhaal dat regisseur Michael Haneke met Das Weisse Band wil vertellen. Onschuldig is bij Haneke zelden iemand – dus ook niet de vooroorlogse Noord-Duitse dorpsgemeenschap die in deze film centraal staat. Daarover laat hij geen misverstand bestaan. De film opent niet voor niets met een ‘aanslag’ op de dorpsarts.

Dat voorval is de steen in de vijver die de jonge onderwijzer – door wiens ogen we het verhaal volgen – in het dorp waarneemt. De zo rustige, door tradities en de seizoenen geleide boerengemeenschap wordt vervolgens opgeschrikt door een reeks incidenten. De graanschuur vat vlam, verschillende kinderen worden mishandeld. Wie zit achter de gewelddadigheden, en waarom? Het antwoord moet ergens liggen in de complexe en niet altijd even frisse verhoudingen tussen de dorpsbewoners en gezinsleden onderling – zoveel verraden de beelden wel. In zijn fragmentarische, maar uiterst scherp observerende stijl toont Haneke de normen en regels waarop de kleine, streng protestantse gemeenschap rust: het plichtsbesef, de hiërarchie, de tucht en de discipline. Doorgaan met het lezen van “Latere daders in Das weisse Band”

Digital Humanities: wat is dat?

Begin september 2012 organiseerde het Humanities Research Institute van de Universiteit van Sheffield een Digital Humanities-congres. Als één ding duidelijk was geworden na drie dagen vol presentaties, was dat het begrip Digital Humanities (DH) zoveel verschillende betekenissen heeft als er mensen zijn die zich ermee bezighouden. Ik ken inmiddels geen geesteswetenschapper meer zonder computer, dus in zoverre is elke alfa op de universiteit een DH’er. Doorgaans wordt DH specifieker gebruikt voor een keten van technologieën: voor het achtereenvolgens digitaliseren, ontsluiten, analyseren en presenteren (visualiseren) van informatie. Maar dan nog blijven vragen staan, die tot veel discussie blijken te kunnen leiden: is DH een zelfstandige discipline of een ‘gedeelde interesse’? Ligt het zwaartepunt bij het digitaliseren van informatie (de input) of bij het visualiseren van resultaten (output)? Is DH een modieus hulpmiddel voor wetenschappelijk onderzoek of de onontkoombare toekomst voor ons cultureel erfgoed?

De organisatoren van #DHCShef maken op hun website zelf de tweedeling als ze schrijven dat ze DH beschouwen als ‘the use of technology within arts, heritage and humanities research as both a method of inquiry and a means of dissemination’. Deze ambivalentie kwam terug in de presentaties. Grofweg de helft van de praatjes ging in op het gebruik van digitale methoden voor wetenschappelijk onderzoek. Daartoe reken ik ook mijn presentatie van Biland en dat van bijvoorbeeld Hinke Piersma, die haar project War in Parliament uit de tweede Clarin Call voorstelde. Maar terwijl deze categorie praatjes inhoudelijk (en helaas ook qua kwaliteit) al als dag en nacht konden verschillen, deed de andere helft van de sprekers een poging op de digital humanities te reflecteren. Er waren er bij die de geschiedenis van de DH wilden schrijven, die de verschillen tussen DH in verschillende landen bestudeerden of die de impact van DH wilden meten of vergezichten lieten zien van wetenschap in het ‘digitale tijdperk’. En telkens stuitten deze sprekers op hetzelfde probleem: wat verbindt de digital humanities nu eigenlijk?

Doorgaan met het lezen van “Digital Humanities: wat is dat?”

Superhelden en het debat rond human enhancement

spiderman_dnaComics vormen net als andere vormen van populaire cultuur zo’n mooi object van historisch onderzoek. Ze weerspiegelen de hoop en de angsten van culturen, geven inzicht in historische mentaliteiten en zijn bovenal altijd zo prachtig tijdgebonden. Comics geven kortom veel prijs over de sociaal-culturele en politieke context waarbinnen ze verschijnen. Het is niet voor niets dat veel superhelden-verhalen verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog of de Koude Oorlog. Juist van superhelden-comics valt daarom veel te leren over de wetenschappelijke preoccupaties van de tijd waarin ze verschijnen. Peter Parker die in de jaren zestig veranderde in Spiderman vanwege een beet door een radioactief bestraalde spin. Bruce Banner muteerde in hetzelfde decennium tot de Hulk na een ongelukje met de gamma-kernbom die hij zelf ontwikkelde. Ze passen prachtig in de Koude Oorlog-angst voor kernrampen. De X-Men stammen ook uit de jaren zestig, maar hebben – voor zover mijn kennis reikt – niets met kernwapens van doen. Wel veel met racisme, discriminatie en uitsluiting (en een aantal expliciete verwijzingen naar de Holocaust). De mutaties van de, eh, mutants komen volgens mij gewoon voort uit genetische variaties.

Doorgaan met het lezen van “Superhelden en het debat rond human enhancement”

Genetisch denken in de populaire cultuur

Eerder schreef ik hier over het kijken naar grappen als ingang tot een historische cultuur, tot een vroegere mentaliteit. Grappen hebben een bepaalde betekenis. Erachter komen wat die betekenis is, is iets ontdekken van de normen en waarden van een cultuurgemeenschap. De in Nederland tot een cliché verworden Belgenmoppen zeggen iets over de houding van Nederlanders ten opzichte van hun zuiderburen (die moet lijken op de Duitse houding ten opzichte van Nederlanders, als je bedenkt wat voor grappen over ons daar de ronde doen). Voor een historicus-antropoloog zit in grappen dus dezelfde soort informatie besloten als in rituelen en symbolen. Over tweehonderd jaar kunnen historici aan de hand van onze Sinterklaasviering inzicht krijgen in onze leefwereld, al ging het maar om de waarden die we er onze kinderen mee opdringen (“wie zoet is krijgt lekkers…”).

Aan het begin van de twintigste eeuw deed kwam de genetica als wetenschap op, de biologische wetenschap van overerving. Deze drong langzaam ook door in het publieke debat. Kenmerkend voor het denken over overerving tot aan de Tweede Wereldoorlog was de enorme brij van theorieën over welke eigenschappen overerfbaar waren en hóe deze erfelijke overdraagbaarheid in zijn werk ging. De theorieën van Lamarck en Mendel domineerden, maar werden vaak door elkaar gebruikt. Overerving werd bovendien geregeld bij sociale vraagstukken betrokken. Alcoholisme werd onder meer bestreden met het argument dat anders generaties van alcoholisten zouden opgroeien, met algehele degeneratie tot gevolg.

Doorgaan met het lezen van “Genetisch denken in de populaire cultuur”

Het nut van Open Access en digitaal publiceren

Omslag Peter Haber en Eva Pfanzelter (eds.), Historyblogosphere (München: Oldenbourg Verlag 2013)Open Access is de toekomst voor wetenschappelijk Nederland. Het aantal initiatieven voor OA-publicaties stijgt gestaat. In mijn eigen vakgebied publiceert de Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden – Low Countries Historical Review sinds dit jaar volgens het OA-principe. Het wetenschapshistorisch periodiek Studium ging het sinds 2011 voor. En op OAPEN zijn Nederlandse wetenschappelijke uitgevers relatief actief. Er is door de universiteiten een website in het leven geroepen waarop informatie over de voordelen van en moeilijkheden rond OA wordt geboden. Wat die voordelen aangaat somt de website in een nieuwsbericht het volgende op:

Making scientific publications freely accessible to the whole world is very lucrative for a scientist. By granting everybody free access to the publication more colleague scientists will read it, which will increase the chance of citation, reuse of data and further research. Especially when it concerns publications in prominent journals.

Doorgaan met het lezen van “Het nut van Open Access en digitaal publiceren”

Grappen in de geschiedenis

Grappen in de geschiedenis

Grappen in de geschiedenis
…anthropologists have found that the best points of entry in an attempt to penetrate an alien culture can be those where it seems to be the most opaque. When you realize that you are not getting something – a joke, a proverb, a ceremony – that is particularly meaningful to the natives, you can see where to grasp a foreign system of meaning in order to unravel it.

De culturele geschiedschrijving die in de jaren zeventig en tachtig op hernieuwde interesse mocht rekenen, was sterk beïnvloed door de antropologie. Dat laat dit citaat van Robert Darnton (The Great Cat Massacre and Other Episodes in French Cultural History, p. 78) wel zien. Antropologen proberen onbekende culturen te doorgronden via hun specifieke uitingen, die vaak symbolisch van aard zijn. Ceremoniën, maar ook taaluitingen als gezegdes en uitdrukkingen. In Nederland antwoord je standaard ‘goed’ op de vraag hoe het met je gaat. In Rusland geef je een veel neutraler antwoord (‘normaal’) en ook in Duitsland is het gebruikelijker om ‘gaat wel’ of ‘je mag niet klagen he’ te antwoorden. Dat zegt iets over de culturen. Wat? Dat is voer voor antropologen en – als het om historische culturen gaat – culturele historici.

Doorgaan met het lezen van “Grappen in de geschiedenis”