Roman Herzog

(10 mei 2011) Hoe is het gesteld met de Europese Unie? Op de Europadag op 9 mei sprak de oud-bondspresident van Duitsland Roman Herzog in Den Haag vermanende woorden. Brussel bezwijkt onder zijn eigen bureaucratie. Al moest hij niet verkeerd worden begrepen: “Ik ben hier als Europeaan.” 

Niets maakt beter duidelijk wat er mis is met de Europese Unie dan een vergelijking met de oude Duitse winkeltijdenwet. “Mijn favoriete voorbeeld,” noemt de vroegere Duitse bondspresident Roman Herzog (CDU) het in een vraaggesprek met Duitslandweb. Sinds 1960 heeft dertig jaar lang een wet bestaan die voor heel Duitsland, van de grens met Denemarken tot de Alpen bij Zwitserland, bepaalde wanneer winkels geopend mochten zijn.

Dat kon alleen al niet werken, omdat de wet niet kon worden gehandhaafd. Maar vooral omdat “de mensen te verschillend zijn”. Herzog had het zelf meegemaakt. Mannen die de hele week aan het werk waren en na de kerkdienst op zondag naar de kapper wilden. Zij gingen wel door de achterdeur naar binnen als de voordeur gesloten moest blijven. De les, zo mijmert hij: “Vrijheid betekent dat iets juist niet algemeen geldend is.”

Die les zou de EU volgens Herzog eens moeten inzien. In zijn rede op een bijeenkomst van het Duitsland Instituut ter gelegenheid van de Dag van Europa in Den Haag, loopt hij vooral te hoop tegen de ongebreidelde stroom aan regelgeving vanuit Brussel. De bureaucratie, de blindheid voor culturele en andere verschillen tussen de lidstaten, dat maakt dat de Europese Unie bezig is “zijn burgers te verliezen”.

De verklaring daarvoor is dat de meeste van de oorspronkelijke doelen van Europese samenwerking inmiddels achterhaald zijn, of juist bereikt. Over kolen en staal, waarmee het 59 jaar geleden begon, worden geen geschillen meer uitgevochten. Ook de afspraken over kernenergie hebben aan relevantie verloren. Anderzijds is niemand meer bang dat Duitsland de vrede en veiligheid in Europa in gevaar brengt – en ook dat was immers het doel van de Duitse inbinding in Europa.

De Europese structuur bestaat dus nog wel, maar meer om haar eigen wil dan vanwege de vroegere doelstellingen. Europa is een doel op zichzelf geworden. En dus spuwt Brussel een vloed aan regels en richtlijnen uit die de economische samenwerking – het domein waarop de EU zich nog in hoofdzaak richt – moeten faciliteren. Op deze wijze lijkt Europa zichzelf meer en meer als politieke unie te beschouwen. In zijn co-referaat hekelde oud-eurocommissaris Frits Bolkestein deze “federale fantasie”.

Daarmee sloot Bolkestein zich aan bij Herzogs kritiek. Die waarschuwde de EU ervoor zichzelf als een staat te zien, die meent alles op een uniforme manier voor zijn burgers te moeten beslissen. Om hedendaagse problemen met succes aan te pakken, is in Herzogs visie een ander idee van Europa nodig. Een slank Europa, dat het hoognodige regelt voor de goede werking van de interne markt, maar vooral niet meer. Een Europa dat flexibel kan reageren op uitdagingen die tegenwoordig vooral van buitenaf komen – denk aan de concurrentie uit Azië.

De politicus in ruste eindigde zijn voordracht in de Eerste Kamer daarom met een reprimande aan de huidige bestuurders: “Een sterk Europa is nu meer nodig dan ooit. Maar een bureaucratisch Europa is geen sterk, maar een zwak Europa. En dat is wel het laatste wat we ons kunnen veroorloven.” Die conclusie kon Bolkestein delen, getuige zijn afsluitende woorden: “Ik hoop dat Brussel goed heeft geluisterd.”

Maar de enige die zich enigszins aangesproken hoefde te voelen, toonde zich niet onder de indruk van de eensluidende kritiek van de oudgedienden. Tom de Bruijn, als permanente vertegenwoordiger de ambassadeur van Nederland bij de EU, bestreed het beeld dat de Brusselse regelgeving buitensporig zou zijn. Bovenal kaatste hij de bal terug naar de lidstaten die werktuiglijk met de vinger naar de EU wijzen als er weer een richtlijn moet worden uitgevoerd. Het zijn nationale regeringsleiders en ministers, die aldus De Bruijn deels de beslissingen in Europa nemen. “Zij zijn deel van Brussel.”

In het verlengde daarvan lag het commentaar van Rick Lawson. De Leidse hoogleraar Europees Recht verwonderde zich over het gebrek aan elan bij de twee sprekers op deze Europadag. Is het niet juist een taak van politici om ook de verworvenheden van Europa te benadrukken? Als zij niet in het geweer komen tegen de groeiende euroscepsis, wie dan?

Zo leek de bevlogenheid over het Europese project haast een kwestie van een generatieverschil. Maar meer dan dat kwam het waarschijnlijk neer op de vraag “wat voor Europa we uiteindelijk willen hebben”, zoals gespreksleider Ton Nijhuis, wetenschappelijk directeur van het Duitsland Instituut Amsterdam, de discussie tot de kern terugbracht. Een politieke unie die zich gedraagt als een staat of een instelling die zich beperkt tot het meest nodige om de Europese economie concurrerend te houden?

Hoewel Herzog van zijn positie in zijn rede geen geheim maakte, wilde hij in de aansluitende discussie duidelijk hebben dat zijn kritiek geen afwijzing van de EU als geheel impliceerde. Integendeel, het was juist vanwege het blijvende belang van Europa dat hij zo pleitte voor meer daadkracht van de Unie.

In het latere vraaggesprek gaf hij toe dat Europa uiteraard méér is dan alleen economische samenwerking. Azië mag ons op economisch vlak misschien voorbijstreven, maar de bescherming van de ideologie “van mensenrechten, democratie, rechtsstaat, persoonlijke vrijheid, dat zie je alleen in die mate bij ons”. En niet zonder trots voegde de 77-jarige eraan toe: “Dáár moet Europa voor staan.”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s