Superhelden en het debat rond human enhancement

spiderman_dnaComics vormen net als andere vormen van populaire cultuur zo’n mooi object van historisch onderzoek. Ze weerspiegelen de hoop en de angsten van culturen, geven inzicht in historische mentaliteiten en zijn bovenal altijd zo prachtig tijdgebonden. Comics geven kortom veel prijs over de sociaal-culturele en politieke context waarbinnen ze verschijnen. Het is niet voor niets dat veel superhelden-verhalen verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog of de Koude Oorlog. Juist van superhelden-comics valt daarom veel te leren over de wetenschappelijke preoccupaties van de tijd waarin ze verschijnen. Peter Parker die in de jaren zestig veranderde in Spiderman vanwege een beet door een radioactief bestraalde spin. Bruce Banner muteerde in hetzelfde decennium tot de Hulk na een ongelukje met de gamma-kernbom die hij zelf ontwikkelde. Ze passen prachtig in de Koude Oorlog-angst voor kernrampen. De X-Men stammen ook uit de jaren zestig, maar hebben – voor zover mijn kennis reikt – niets met kernwapens van doen. Wel veel met racisme, discriminatie en uitsluiting (en een aantal expliciete verwijzingen naar de Holocaust). De mutaties van de, eh, mutants komen volgens mij gewoon voort uit genetische variaties.

Lees verder

Advertenties

Genetisch denken in de populaire cultuur

Eerder schreef ik hier over het kijken naar grappen als ingang tot een historische cultuur, tot een vroegere mentaliteit. Grappen hebben een bepaalde betekenis. Erachter komen wat die betekenis is, is iets ontdekken van de normen en waarden van een cultuurgemeenschap. De in Nederland tot een cliché verworden Belgenmoppen zeggen iets over de houding van Nederlanders ten opzichte van hun zuiderburen (die moet lijken op de Duitse houding ten opzichte van Nederlanders, als je bedenkt wat voor grappen over ons daar de ronde doen). Voor een historicus-antropoloog zit in grappen dus dezelfde soort informatie besloten als in rituelen en symbolen. Over tweehonderd jaar kunnen historici aan de hand van onze Sinterklaasviering inzicht krijgen in onze leefwereld, al ging het maar om de waarden die we er onze kinderen mee opdringen (“wie zoet is krijgt lekkers…”).

Aan het begin van de twintigste eeuw deed kwam de genetica als wetenschap op, de biologische wetenschap van overerving. Deze drong langzaam ook door in het publieke debat. Kenmerkend voor het denken over overerving tot aan de Tweede Wereldoorlog was de enorme brij van theorieën over welke eigenschappen overerfbaar waren en hóe deze erfelijke overdraagbaarheid in zijn werk ging. De theorieën van Lamarck en Mendel domineerden, maar werden vaak door elkaar gebruikt. Overerving werd bovendien geregeld bij sociale vraagstukken betrokken. Alcoholisme werd onder meer bestreden met het argument dat anders generaties van alcoholisten zouden opgroeien, met algehele degeneratie tot gevolg.

Lees verder