Plaatsen van herinnering rond Ieper

Grafzerk voor onbekende Britse soldaat op Tyne Cot Cemetery. Foto: Pim Huijnen © all rights reservedIk was vergeten hoe indrukwekkend een bezoek aan de Vlaamse Westhoek kan zijn als je geïnteresseerd bent in de Eerste Wereldoorlog. Een jaar of tien geleden was ik er al eens, in het kader van een college van Koen Koch. Toen deden we de Westhoek in minder dan een dag, op weg naar de Somme en Verdun. Nu hadden we een weekend de tijd. Wat me opviel aan de begraafplaatsen, monumenten en andere plaatsen van herinnering was de levendigheid ervan. Er moet ongelooflijk veel tijd en energie worden gestoken in het in ere houden van al die plekken en het faciliteren van het herdenkingstoerisme. De massaliteit daarvan verbaasde me ook. Het westelijk front in Vlaanderen lijkt nog altijd een bedevaartsoord voor Canadezen, Engelsen en Fransozen (om niet te vergeten Amerikanen, Australiërs, Nieuw-Zeelandsers, Indiërs, etc.), maar ook voor Duitsers.

Voor zover ik kan nagaan is het dan ook een unieke plaats van herinnering: waar vind je nog meer een plek dat de sporen draagt van vier jaar lang onafgebroken gevechten. Dat in die sporen bovendien een staalkaart biedt voor het verloop van de Eerste Wereldoorlog als geheel? De Eerste Slag bij Ieper maakte deel uit van de Duitse opmars in het najaar van 1914. De Tweede Slag stond in het teken van de eerste gasaanvallen, terwijl de Derde Slag de wanhoop symboliseert van de stellingenoorlog. Ondanks, of misschien ook dankzij, de onbevattelijke cijfers die met de Eerste Wereldoorlog in dit gebied gepaard gaan, de miljoenen doden en gewonden, de miljoenen granaten die het gebied in een waanzinnige modderpoel veranderden, zijn de plaatsen van herinnering niet in eerste plaats pattriotistisch – toch een gebruikelijk doel voor monumenten en andere symbolen die aan het verleden referen. Ik heb de indruk dat de deemoed overheerst.

Lees verder

Advertenties

Moderniteit en het Holocaust monument

Victor Klemperer, hoogleraar Romanistiek in Dresden, schrijft op 27 september 1944: “Mijn dagboeken en aantekeningen! Elke keer denk ik weer bij mezelf hoe ze niet alleen mij m’n leven zullen kosten als ze worden ontdekt, maar ook dat van Eva en van anderen, die ik met naam heb genoemd, moest noemen, als ik documentaire waarde wilde bereiken. Ben ik daartoe gerechtigd, misschien zelfs verplicht, of is het misdadige ijdelheid?”

Dankzij de dagboeken die de joodse professor vanaf de opkomst van het nationaal-socialisme bijhield, hebben we een beeld gekregen van wat hem tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. Klemperers aantekenen illustreren nauwgezet hoe de aanvankelijk subtiele pesterijen en uitsluitingsmechanismen ten aanzien van de joodse bevolking van Duitsland stapsgewijs uitmondden in de vernietigingspolitiek van de concentratiekampen. Het begon met moeilijkheden op Klemperers universiteit in Dresden, waar de studenten wegbleven van zijn colleges, en met haat flauwe treiterijen en verboden. Dan volgt ontslag, gedwongen verhuizing naar een ‘jodenhuis’ en het verbod op het verlaten van de stad. Meer verhuizingen en verboden volgen, totdat Klemperer zijn kamer nauwelijks meer durft te verlaten en zijn niet-joodse vrouw Eva de straat op moet sturen voor een zak aardappelen. Klemperer en zijn vrouw overleefden de oorlog, maar het aantal joden uit Dresden met hem was letterlijk op de vingers van één hand te tellen.

Lees verder